
David Bowie biografie
David Robert Jones, beter bekend onder zijn artiestennaam David Bowie (8 januari 1947) is een Engelse muzikant. Hij is bekend geworden als een uiterst invloedrijke rock muzikant, artiest en gelegenheids-acteur, vanaf de jaren 60 tot heden.
Beginjaren,
David Bowie is geboren in Brixton (stadsdeel van Londen), maar is opgegroeid in Bromley, in het graafschap Kent. Oorspronkelijk was hij in de jaren 60 een saxofonist en zanger in verschillende Londense blues bandjes, zoals de The Lower Third. Één van David Bowie's grootste talenten was, om gedurende zijn hele carrière, zijn imago aan te passen aan de heersende muzikale trends, zonder daarbij die trend te kopiëren en op zijn hoogtepunten zelfs vooruit te lopen op sommige van die muzikale trends. Hij is zwaar beïnvloed door drama, van avant-garde en mime tot commedia dell'arte en gebruikte ook verschillende karakters en pseudoniemen in z'n werk, waarvan Ziggy Stardust de bekendste is. De naam David Bowie komt voort uit het feit dat er al een Davy Jones van The Monkees was, dus koos hij de achternaam Bowie, van Jim Bowie, die het Bowie mes had uitgevonden.
Hij verwierf zijn eerste bekendheid met het nummer Space Oddity in 1969, die samenviel met de eerste maanlanding en gebaseerd was op Stanley Kubrick's film 2001: A Space Odyssey. Het was in het Verenigd Koninkrijk geen groot commercieel succes, maar wel in Nederland, waar het in september 1969 op nummer 8 kwam. Later werd het nummer echter opnieuw uitgebracht in het V.K. en werd het wel een succes. Zijn eerste twee albums (David Bowie (1967) en Space Oddity (1969)) waren echter nergens een groot succes. Zijn eerste opzienbarende en succesvolle album was The Man Who Sold The World (1970). Hierop verruilde hij de akoestische gitaar van Space Oddity met een zwaarder rockgeluid, verzorgd door onder andere gitarist Mick Ronson. Rond deze tijd vormt hij ook zijn band The Spiders From Mars (als opvolger van Hype). Het titelnummer werd succesvol gecoverd door Lulu in 1974 en door Nirvana in 1994. De hoes van The Man Who Sold The World was opvallend, omdat Bowie te zien was in een elegante jurk. Dit was één van de eerste tekenen van de exploitatie van zijn androgyne uiterlijk. De hoes werd in de Verenigde Staten gecensureerd en vervangen door een andere hoes.
Zijn volgende album, Hunky Dory (1971), kenmerkte zich deels door een terugkeer naar het geluid van Space Oddity, maar ook door het overdreven filosofische, à la The Bewlay Brothers, "Oh! You Pretty Things" en het potsierlijke nummer "Kooks". Dat laatste nummer werd opgedragen aan zijn toen nog jonge zoon Zowie Bowie, die echter wel als Duncan Jones bij de burgerlijke stand bekend staat. Tekstueel gaf David Bowie echter ode aan enkele van zijn voorbeelden, in de nummers "Song for Bob Dylan", "Andy Warhol" en "Queen Bitch" (opgedragen aan de Velvet Underground). Het volgende jaar zou Bowie Lou Reed's solo-doorbraak, Transformer, produceren. Samen met de hitsingle Life On Mars, verkocht Hunky Dory zeer goed in het Verenigd Koninkrijk en ging Bowie behoren tot de elite van de Britse rocksterren. Ook zijn, door hemzelf verklaarde, biseksualiteit kon op veel aandacht rekenen. In de daarop volgende periode van achttien maanden (1972 en 1973) had hij in het V.K. vier albums in de top tien staan en acht top tien hits. Ook in Nederland en België begonnen zijn albums rond deze tijd steeds beter te lopen.
De Ziggy stardust jaren
Zijn androgyne verschijning werd stukken verder doorgevoerd op zijn volgende album The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders From Mars (1972). Het is één van 's werelds meest bekende conceptalbums en verhaalt over de carrière van een buitenaardse rockzanger. Het album bevat veel van Bowie's meest gewaardeerde werk, wat te beschouwen valt als een reactie op zijn eigen beroemdheid en het conflict tussen zijn eigen idealen en de realiteit van het leven als één van de grootste sterren van dat moment. Dit thema werd verder doorgevoerd op het album Aladdin Sane (1973), met de hit "The Jean Genie" (nummer 7 in de Nederlandse top 40) en de Rolling Stones cover "Let's Spend The Night Together". David Bowie werd rond deze periode de koning van de Glamrock genoemd.
David Bowie voerde het Ziggy Stardust karakter tot het extreme door. Hij toerde en gaf persconferenties als Ziggy. Hier kwam een abrupt einde aan toen Ziggy abrupt en dramatisch zijn leven als rockzanger beëindigde tijdens een liveconcert in het Londense Hammersmith Odeon op 3 juli 1973. Deze show werd later uitgebracht in 1983 als een film en bijbehorende soundtrack, onder de naam Ziggy Stardust - The Motion Picture. Een opgepoetste versie is in 2003 als de 30th Anniversary Edition verschenen. David Bowie bleef daarna toch nog voor een deel in het zelfde thema hangen met, het jaren '60 cover-album, Pin Ups (1973) en het ambitieuze en futuristische Diamond Dogs (1974). Bowie werkte in deze periode ook samen met Lou Reed (hij produceerde diens klassieke album Transformer), Iggy Pop & The Stooges, Mott the Hoople en Lulu.
Soul, drugs en Berlijn
In 1975 veranderde Bowie zijn imago drastisch, zowel artistiek als qua uiterlijk. Wel konden we hem in zijn eerste commerciële film, The Man Who Fell To Earth, nog één keer bewonderen als androgyne buitenaardse rockster. Zijn eerste werk na deze zet was de dansbare soulplaat Young Americans. Een groot verschil met zijn voorgaande werk, waarmee hij veel fans verloor, maar waarmee hij ook veel nieuwe fans naar zich toetrok. Opvallend is ook het nummer Fame, een duet met John Lennon. Dit werd zijn eerste Amerikaanse nummer één hit en bereikte in Nederland de vierde plaats (Top 40).
Ondertussen had Bowie zich gevestigd in Los Angeles en gebruikte veel drugs, vooral cocaïne. Op het album Station To Station (1976) introduceerde hij ook een nieuw en controversieel personage, genaamd The Thin White Duke, een gladde, koude, typisch Britse aristocraat. Het album wordt door veel kenners gezien als Bowie's beste en meest tijdloze album. Het album liep zijn tijd ver vooruit en kenmerkt zich door een kil new-wave geluid, vermengd met enkele funk en disco invloeden. Sommigen horen ook de invloed van Bowie's zwaar toegenomen drugsgebruik in vooral het titelnummer, anderen zien in het album eerder toespelingen op occulte zaken, met name op de kabbalistische boom des levens ("Kether" en "Malkut" zoals ze in de tekst van het titelnummer voorkomen zijn namen van sefirot -stations- van de boom des levens). Ook in Bowies andere werk wordt gerefereerd aan het occulte. Het nummer Golden Years werd David Bowie's vijfde top 10 hit in Nederland (nummer 6 in de Top 40).
Na dit album vertrok Bowie naar Berlijn. Deels om van zijn overdreven drugsgebruik af te komen en door zijn groeiende interesse in de Duitse muziekscene. De Berlijnse periode is artistiek gezien een zeer interessante periode in de carrière van David Bowie. Hier begon ook de samenwerking met inspirator Brian Eno en produceerde Bowie zelf ook enkele artiesten, waaronder Iggy Pop. Alle drie de Berlijnse albums (het Berlijnse trio) werden klassieke albums, Low (1977) (hoewel niet opgenomen in Berlijn, maar in Frankrijk), "Heroes" (1977) en Lodger (1979). Alle drie de albums waren doorspekt met gewaagde artistieke experimenten, instrumentale nummers en zijn in eerste instantie moeilijker toegankelijk dan Bowie's eerdere werk. Inspiratie gaf ook het verdeelde Berlijn met de Koude Oorlog als decor. Dit was vooral gewaagd tegen de achtergrond van de op dat moment heersende punkbeweging. Toch verkochten vooral Low en "Heroes" onverwacht goed. Van Low komt zelfs de tot dan grootste Nederlandse hit, namelijk Sound And Vision (nummer 2 in de Top 40). Het titelnummer van "Heroes" wordt wereldwijd zelfs een grotere hit (nummer 8 in de Nederlandse Top 40) en blijft tot nu toe één van Bowie's bekendste singles. Materiaal van het Berlijnse trio wordt later gebruikt voor de soundtrack van de film, Christiane F. - Wir Kinder vom Bahnhof Zoo (1981), een in die tijd zeer controversiële (autobiografische) film over Christiane F, een veertienjarig Berlijns meisje dat verslaafd raakt aan heroïne. David Bowie is ook in de film te zien als zichzelf.
Superster in de jaren tachtig
In 1980 kwam er definitief een eind aan de Berlijnse jaren van Bowie. Met Scary Monsters... And Super Creeps keek hij terug op zijn eigen carrière en met de single Ashes To Ashes scoorde hij weer een grote hit. Toch zagen veel mensen dit album als voorlopig zijn laatste, omdat het er naar uit zag dat Bowie zich ging richten op zijn filmcarrière. In 1981 scoorde hij samen met Queen nog wel een nummer één hit met de klassieker Under Pressure. In 1982 werkte hij samen met discoproducer Giorgio Moroder voor de soundtrack van de film Cat People en verscheen zijn eind jaren '70 opgenomen duet Peace On Earth/Little Drummer Boy met Bing Crosby op (kerst)single.
In 1983 echter kwam David Bowie helemaal terug en oversteeg zelfs zijn roem van de jaren zeventig. Met het vrij commerciële album Let's Dance en de bijbehorende hitsingles, Modern Love, China Girl en het titelnummer, was hij weer helemaal in de schijnwerpers van de wereld terecht gekomen. Het album was geproduceerd door Nile Rodgers (Chic) en alle singles werden voorzien van videoclips die op het opkomende MTV zeer vaak te zien waren. Samen met de Serious Moonlight Tour, trok hij overal ter wereld volle stadions. De gitarist op het album Stevie Ray Vaughan werd in de tour vervangen door Earl Slick.
De opvolger Tonight (1984), werd door vele critici gezien als een luie poging om het succes van Let's Dance te evenaren. Dit lukte hem echter maar deels, door middel van het van Iggy Pop teruggeleende Tonight (duet met Tina Turner) en de hit Blue Jean. Dit laatste nummer ging gepaard met een vijftien minuten durend filmpje, dat op succesvolle wijze Bowie's jarenlange interesse in de combinatie drama en muziek liet blijken. Het album stelt vooral teleur door het geringe aantal nieuwe songs; meer dan de helft van het album bestaat uit covers of eerder door Iggy Pop uitgebrachte nummers. Het nummer Loving the Alien laat Bowie echter op zijn best zien.
Het jaar daarop scoorde Bowie toch weer een nummer één hit met This Is Not America (met Pat Metheny). Dit nummer kwam uit de film The Falcon and the Snowman. Later dat jaar scoorde hij weer een nummer één hit, deze keer vertolkte hij samen met Mick Jagger, de Martha Reeves & the Vandellas hit, Dancing In The Street, opgenomen in het kader van Live Aid. Hierna speelde hij een succesvolle hoofdrol in de film Labyrinth (1986), waarvan het nummer Underground in Nederland in de top 10 kwam.
In 1987 kwam het volgende album van David Bowie uit, Never Let Me Down. De plaat werd door critici, maar ook veel fans, ongenadig de grond in geboord. Desalniettemin werd de single Day In Day Out een hitje en was de begeleidende Glass Spider Tour commercieel een veel groter succes dan het album. Artistiek sloeg deze tournee de plank echter behoorlijk mis, iets wat door Bowie later ook volmondig erkend werd. Vervolgens werd het even stil rond Bowie als soloartiest. In Nederland scoorde hij in de jaren '80 nog één nummer 1 hit met een live-versie van het nummer Tonight in duet met Tina Turner.
Tin Machine
In 1989 vormde Bowie, voor het eerst sinds de jaren zestig, een gewone band, genaamd Tin Machine. Tin Machine was een viertal, waar naast Bowie gitarist Reeves Gabrels, bassist Tony Sales en drummer Hunt Sales in zaten. De band bracht in dat jaar het album Tin Machine uit, waarbij Bowie liet zien dat hij even genoeg had van radiovriendelijke popmuziek en zijn koers verlegde naar hardere, zij het enigszins conventionele, rock. De meningen van zowel het publiek als de pers over de band en het album waren verdeeld, maar Tin Machine luidde wel het begin in van een samenwerking tussen Bowie en Gabrels die tot het eind van de jaren negentig zou duren. In 1991 verscheen het album Tin Machine II. Door de critici werd dit album eveneens met gemengde gevoelens ontvangen; hoewel het album een aantal bijzonder sterke Bowie-nummers bevatte, zoals Baby Universal en Goodbye Mr. Ed, werden met name de door drummer Hunt Sales gezongen nummers Stateside en Sorry als een dieptepunt in Bowies carrière gezien. Het album werd ondersteund met een tournee (liveopnames van deze tournee verschenen in 1992 op het album Oy Vey, Baby). Vervolgens werd de band officieus ontbonden.
Jaren negentig tot heden
Na de artistieke flop Never Let Me Down en zijn ervaringen in de band Tin Machine besloot Bowie dat het tijd was voor verandering. In 1990 werden al zijn klassieke albums op cd uitgebracht door Ryko/EMI, waardoor Bowie de kans schoon zag zijn grote hits ten grave te dragen. Moe van het oeverloos herhalen van zijn grootste successen, wilde hij deze tijdens de Sound + Vision tour voor de laatste keer live ten gehore brengen. In deze tournee was een grote rol weggelegd voor gitarist Adrian Belew, met wie hij ook het duet Pretty Pink Rose had opgenomen.
In 1992 trouwde Bowie met voormalig fotomodel Iman Abdulmajid. Voor de huwelijksceremonie schreef Bowie speciaal een aantal instrumentale nummers, die in 1993 op het album Black Tie, White Noise verschenen. Wederom geproduceerd door Nile Rodgers, bevatte het album een aantal sterke tracks, zoals de cover van Cream's I Feel Free met Mick Ronson op gitaar en de hitsingle Jump They Say, met als thema de zelfmoord van zijn halfbroer Terry. Door de beperkte promotie, mede doordat het label waarop het album in de VS werd uitgebracht (Savage) failliet ging, werd het album al snel weer vergeten. In 1993 schreef Bowie de soundtrack voor de BBC-miniserie Buddha of Suburbia, naar het boek van Hanif Kureishi, maar ook dit album werd nauwelijks opgemerkt. In 1995 kwam Bowie terug met het sterke, maar enigszins ontoegankelijke 1. Outside, waarbij hij opnieuw samenwerkte met Brian Eno. Op dit album is de toenemende invloed van gitarist Reeves Gabrels sterk merkbaar. Een grootschalige tournee volgde, waarin Bowie zijn in 1990 gedane belofte zijn oude nummers niet meer te spelen alweer verbrak. Het nummer Hallo Spaceboy werd in 1996 in de remix van de Pet Shop Boys (inclusief verwijzingen naar Major Tom) zelfs een bescheiden hit. Voor het eerst sinds Scary Monsters had Bowie ook de critici weer (bijna) unaniem aan zijn zijde. Het in 1997 verschenen album Earthling haakte aan bij de toen hippe junglemuziek, maar bevat desalniettemin een aantal sterke nummers (zoals I'm Afraid of Americans en Little Wonder). Dit album werd eveneens gevolgd door een tournee, waarin ook nummers uit de Berlijn-tijd (zoals V2-Schneider van "Heroes") van een modern jasje werden voorzien.
De albums ...hours (1999), Heathen (2002) en Reality (2003) laten een terugkeer zien naar de singer-songwriterperiode van Hunky Dory. Hoewel deze drie albums allen hun tekortkomingen hebben, is duidelijk dat Bowie nog lang niet uitgerangeerd is. Van de tournee ter promotie van Reality verscheen in 2004 een DVD (A Reality Tour) met daarop het concert in Dublin. Deze tournee moest in 2004 echter plotseling voortijdig worden afgebroken vanwege gezondheidsproblemen, naar later bleek een hartaanval. Sindsdien is het rustig aan het Bowiefront. Naar verluidt is hij momenteel bezig met het opnemen van nieuwe nummers voor een album. Verder krijgt hij op 8 februari 2006 een Grammy uitgereikt voor zijn gehele oeuvre.
Concert tickets
Rolling Stones concert tickets
Vrienden van Amstel Live Tickets
Nelson Mandela concert tickets
Toppers in Concert concert tickets
Michael Jackson concert tickets
Symphonica in Rosso concert tickets
Bruce Springsteen E Street concert tickets
Paul McCartney concert tickets











